Toetsvoorbeelden: B2 

 


.

Computertest

Met deze voorbeeldtest kunt u kennismaken met de verschillende vraagtypes en de moeilijkheidsgraad van de ITNA.
U krijgt bij elke vraag feedback.
Er wordt geen eindscore berekend.
Let op: de echte test is langer en heeft een tijdslimiet van 2,5 uur.

Een voorbeeld van de verschillende onderdelen van de computertest, vindt u in dit filmpje op YouTube.

.


 

Mondelinge test

Het mondelinge deel van de ITNA-test bestaat uit twee taken: een presentatie en een argumentatie. Een voorbeeld van een examenopdracht vind je hier (pdf-bestand).

 

1. Uitleg bij de presentatie

U krijgt informatie over een bepaald thema.

De informatie wordt u aangeboden in de vorm van een aantal dia’s voor een powerpoint-presentatie.

U geeft met de inhoud die u gekregen hebt en eventueel met wat u zelf over het thema wenst aan te vullen, een korte, goed gestructureerde presentatie. U legt eerst uit wat het onderwerp is van uw uiteenzetting, u formuleert de belangrijkste gegevens en u rondt de presentatie ook duidelijk af met een conclusie. Besteed aandacht aan verbanden en aan de gepaste woordkeus. Zorg ervoor dat de toehoorder goed begrijpt wat u bedoelt en ook dat uw presentatie aangenaam is om naar te luisteren. Uw presentatie duurt een drietal minuten.

Let wel: u krijgt de dia’s op papier. U doet alsof u een powerpoint-presentatie geeft; de dia’s worden niet echt geprojecteerd. Terwijl u de presentatie geeft, zit u aan een tafel tegenover de examinator (die zelf ook de dia’s op papier heeft).

 

2. Uitleg bij de argumentatie

U krijgt twee stellingen waarvan u er één moet kiezen, bijvoorbeeld “Fietshelmen zouden in België verplicht moeten worden, zowel voor volwassenen als voor kinderen.”

U bedenkt minimaal drie argumenten, voor of tegen deze stelling. Met de argumenten bouwt u een goed gestructureerd betoog op. U legt eerst duidelijk uit wat de stelling inhoudt en dan formuleert u uw standpunt. U gebruikt daarbij de argumenten die u hebt voorbereid om de toehoorder te overtuigen. Zorg voor de juiste verbanden (oorzaak, gevolg, tegenstelling, …) en een gevarieerde woordenschat (gebruik niet altijd dezelfde woorden!). Laat horen hoe goed u Nederlands spreekt.

De argumentatie is uiteraard fictief, dat wil zeggen dat u het niet écht eens of oneens hoeft te zijn met de stelling. U mag als het ware een rol spelen. De bedoeling van de opdracht is u een onderwerp te geven waarover u gedurende twee à drie minuten vlot en op een samenhangende manier kunt spreken. Het is dus niet belangrijk of u al dan niet uw eigen mening geeft.